Door Lex Kempers

pagina 1/2


Van de zolder van de Oudemanhuispoort tot Dapperstraat: de geschiedenis van de Fysische Geografie aan de UvA van 1877 tot 1970


Aan de hand van oude foto’s van belangrijke Amsterdamse geografen, neemt Lex Kempers ons mee in de geschiedenis van de Fysische Geografie aan de UvA.


1:    2:

1. C.M. Kan
Terwijl aan andere universiteiten de fysische geografie al gedoceerd werd door bèta-gerichte docenten (b.v. de befaamde natuurkundige C.H.D. Buys Ballot in Utrecht) werd de eerste leeropdracht in de algemene geografie aan de UvA in 1877 gegeven aan de geesteswetenschapper C.M. Kan met fysische geografie als één van de disciplines.

2. M.E.F.Th. Dubois
C.M. Kan werd in 1907 opgevolgd door de geoloog paleontoloog M.E.F.Th. Dubois, vermaard door zijn opgravingen van de Pithecanthropus erectus op Java, en de eerste die de twee ijsbedekkingen van Nederland aantoonde. In 1921 werd de leeropdracht geografie door het universiteitsbestuur erkend als een volwaardige academische discipline maar had nog duidelijk een algemeen karakter.



3:    4:

3. W. van Bemmelen
Bovendien werd in dat jaar de meteoroloog, geoloog, specialist in geomagnetisme en amateurcellist W. van Bemmelen benoemd tot lector in de fysische geografie aan de Economische Faculteit die in 1927 Dubois opvolgde als hoogleraar met leeropdrachten in de fysische geografie, klimatologie en kartografie aan de Faculteit Wis- en Natuurkunde. Het onderzoek en aantal studenten bleef echter beperkt.

4. Prof. dr. J.P. Bakker
In 1939 werd van Bemmelen opgevolgd door de Utrechtse fysisch geograaf J.P. Bakker, benoemd aan de UvA als lector met leeropdrachten in dezelfde disciplines.
De oorlogsjaren maakte het de energieke Bakker onmogelijk om de fysische geografie een grote vlucht te laten nemen en pas in 1946, met zijn benoeming tot hoogleraar, kon hij zijn ambities gaan waar maken en de belangrijkste vormgever van de Amsterdamse fysische geografie worden. Daarbij werd hij ondersteund door een assistent (A.J. Wiggers) en konden zijn studenten onderwijs volgen en onderzoek doen bij de eveneens in 1946 aan de UvA benoemde hoogleraar de geoloog Smit Sibinga met leeropdracht in de geomorfologie en fysische geologie. Smit Sibinga had een onderkomen aan het uit 1934 daterende Geologisch Instituut op het Roeterseilandcomplex. Zijn staf werd later uitgebreid met de wetenschappelijke medewerkers A.L. Simons (luchtfotointerpretatie), K. Haagsma (geoloog), C. Lokker (fysisch geografe) en C. Snabilié (tekenaar).
Terwijl de geologen hun eigen comfortabele instituut hadden begon de fysische geografie o.l.v. prof. Bakker aan de UvA op de zolder van het bestuursgebouw aan de Oudemanhuispoort. Voor practicaruimten was daar geen plaats en er werd pas in 1952 ruimten gereserveerd in het Instituut voor de Tropen aan de Mauritskade voor o.a. granulair analyses en een bescheiden zware mineralenonderzoek.
Inspiratie voor het laboratorium deed Bakker op, samen met de student fysische geografie en latere schrijver W.F. Hermans, in de oorlogsjaren in een bodemkundig laboratorium voor de Noordoostpolder in Kampen. Hermans schrijft nog hierover in zijn boek Tranen der Acacias.



5:  6:

5. W.F. Hermans (links) in gesprek met L. Pons (midden) en A.J. Wiggers (rechts)


6. dr. H.J. Muller
Het laboratorium stond onder leiding van de chemicus dr. H.J. Muller. Ondergetekende heeft daar nog in de winter van 1959 practica gevolgd, in de kou een griep opgelopen die moederlijk bestreden werd door de heer Muller met een ‘citroentje’ bestaande o.a. uit een mengsel van zuivere medicinale alcohol (voor poriënvolumemetingen) met een schepje citroenzuurpoeder (voor bodemextracties) van de firma Merck.



7:  8:

7. Een illuster gezelschap met v.l.n.r. van Zuylen, Muller, Wensink en Bakker zich lavend aan zo te zien aan een stevige neut in daarvoor geschikt laboratoriumglaswerk
Prof. Bakker was een echte veldman met zijn hart in de geomorfologie van de middelgebergten. Maar het veldwerk moest aanvankelijk bescheidener en meer nabij van start en dat werden de kweldersedimenten van het noordFriese Barradeel (Bakkeradeel volgens de studenten) waar studenten fysische en sociale geografie gezamenlijk hun boren draaiden in de Friese prut.
Barradeel bleek wel een opstap te worden voor onderzoek in de kustvlakte van Suriname later uitgebreid met onderzoek naar geomorfologische processen in vochtig tropische klimaten in tegenstelling tot die in de zo anders verlopende processen in gematigde klimaten.
De oude liefde voor onderzoek in middelgebergten kwam binnen de mogelijkheden met als gevolg doctoraalonderzoeken en vele prachtige en informatieve excursies in enkele Europese middelgebergten waarbij de inmiddels steeds beter ingerichte laboratoria uitstekende faciliteiten boden voor verweringsmateriaal- en sedimentonderzoek. De werkkamers en onderwijsruimten werden te krap en verhuisden naar een voormalig schoolgebouw aan het Waterlooplein, nu Stoperagebouw. De staf werd uitgebreid met G. van Zuylen (klimatologie) en J.J. Wensink (excursies en gebouwbeheer).

8. Frans Kwaad ontfutselt hier de geheimen van de verschillende korrelgrootten aan een aantal slibcylinders
De inmiddels steeds ruimer wordende budgetten lieten het toe om eigen laboratoria in te richten met zowaar in 1963 een eigen gebouw aan de Sarphatistraat schuin tegenover het verblijf van de nijlpaarden van Artis. Disciplines werden uitgebreid en nieuwe werden toegevoegd:

  • het onderzoek naar zware mineralen (o.a. voor sedimentherkomst, stratigrafie en klimatologische verweringsgeschiedenis) en korrelgrootteverdelingen (o.a. voor afzettings- en verweringsomstandigheden);
  • kleimineralogisch onderzoek (o.a. voor herleiding klimatologische omstandigheden tijdens de mineraalvorming) opgezet door Th. Levelt en E. Kummer;
  • pollenanalyse (R. Slotboom en J. van Mourik) voor klimatologische reconstructies en bewoningsgeschiedenis;
  • de fasecontrastmethode (P. Riezebos) in de mineralogie (voor bestudering van dat deel van de siltfractie in het voorstadium van kleimineraalvorming);
  • het verweringsonderzoek d.m.v. een klimaatkast (F. Kwaad);
  • bestudering van het bodemprofiel als archief van klimatologische, sedimentaire, eroderende en biologische processen (L. Pons, A.P.A. Vink);
  • bodemmicromorfologie (bodemprocessen op microscopisch niveau aan ongestoorde bodemmonsters) (H. Mucher);
  • fysische geografie van de glaciale en periglaciale landschappen (G.C. van Maarleveld).


Bovengenoemde medewerkers van het eerste en wat latere uur werden opgevolgd of uitgebreid met een veelheid van onderzoekers in volledige of deeltijdaanstelling waarbij ik er slechts één noem, Pim Jungerius, in 1963 als lector aangesteld en in 1970 benoemd tot opvolger van prof. Bakker met dezelfde leer- en onderzoeksopdracht in de fysische geografie als zijn voorganger.

Het contingent hoogleraren, onderzoekers, assistenten, personeel en studenten werd te groot en de benodigde ruimten te krap voor het bestaande onderkomen aan Waterlooplein en Sarphatistraat en door niet aflatende druk van prof. Bakker stelde de gemeente Amsterdam een gebouw aan de Dapperstraat ter beschikking waar planologen, sociaal en fysisch geografen in 1967 hun intrek in konden nemen en wat na vertrek van de sociaal geografen en planologen in 1972 zelfs geheel ter beschikking kwam van de fysisch geografen.



Literatuur

  • J.J. Wensink. Een globaal overzicht van de ontwikkeling van de fysische geografie en bodemkunde en het ontstaan van het laboratorium over de jaren 1940-1985. Rapport no. 21. Fysisch Geografisch en Bodemkundig Laboratorium van de UvA.
  • P. Jungerius. Alles heeft zijn plaats. 125 jaar Geografie en Planologie aan de UvA, 1877-2002. De fysisch-geografische traditie.


Op de volgende pagina worden foto's beschreven waarin de staf en studenten in de periode van prof. Bakker de hoofdrol spelen:


>> pagina 2/2

  Last edit: 2013-09-30 21:50:56.