Door Cindy Teeven


Het ledenbestand vult zich steeds meer. Naast de aanwas van net afgestudeerde leden krijg ik ook nog steeds nieuwe informatie binnen van Lulofs-leden die lang geleden zijn afgestudeerd. Het leek me daarom leuk om eens na te gaan wie momenteel het oudste Lulofs-lid is!
Jan van Mourik gaf me een e-mailadres van de dochter van Klaas Haagsma, die wel eens aanspraak op de titel oudst lulofs lid zou kunnen maken. Van haar kreeg ik Klaas zijn telefoonnummer, en na een paar keer gezellig te hebben gekletst aan de telefoon, hebben we een afspraak bij het Science Park. Om precies te zijn in het kantoor van Harry Seijmonsbergen, die ooit nog eens een vak gevolgd heeft dat werd gegeven door Klaas. We startten de middag met een kijkje in de recente publicatie van Harry: ‘Geodiversity of Vorarlberg and Liechtenstein’, wat ook een heel bekend terrein van Klaas is. Ook wist Harry nog het proefschrift van Klaas uit de kast te halen, waarmee hij hiernaast op de foto staat.

1. Ik ben benieuwd naar je studieverloop. Kun je daar iets over vertellen?

‘Ik heb een vrij lange aanloop gemaakt. In 1951 ben ik begonnen met de studie Sociale Geografie. In die tijd kreeg de sociaal geograaf veel fysische geografische vakken en vice versa. Ik vond dat in die tijd zo leuk, dat ik in 1952 ben overgestapt naar de studie Fysische Geografie. Met name de alpine geomorfologie interesseerde me, maar ik kreeg al wel snel in de gaten dat ik meer moest weten van geologie. In 1953 ben ik toen overgestapt naar Geologie, waar ik in 1955 mijn kandidaats heb gedaan.’


Zoals nu de indeling geldt met 3 jaar Bachelor (Future Planet Studies) en 2 jaar Master (Earth Sciences), vertelde Klaas dat dit vroeger ook een soortgelijke opzet had. Toen was het kandidaatsexamen in principe 3 jaar, waarna het doctoraal kwam.


2. Waar werd er toen college gegeven? En hoe zag het laboratorium eruit?

‘Destijds werd er college gegeven aan het Waterlooplein in het lab in het Geologisch instituut. Eerst had alleen professor Bakker een laboratorium waar ik verder niet zoveel mee had te maken. Ik was later wel in het lab op de universiteit aan het werk waar ik zware mineralen preparaten maakte met bromoform en zoutzuur. Iets dat toen nog kon.’


3. Kan je een voorbeeld geven van de vakken die toen werden gegeven?

‘Ik heb het kandidaatsexamen Geologie gevolgd. Na de kandidaats was Geomorfologie de hoofdrichting, welke door de professoren Bakker en Smit Sibinga werd gegeven. Als bijvak volgde ik Stratigrafie bij MacGillavry (de straat die nu haaks op Science Park loopt, parallel aan het spoor, heet Carolina MacGillavrylaan. Zij was de zus van de door Klaas genoemde MacGillavry en gaf Kristalografie aan de Uva (red)). Tegenwoordig kan je Geologie niet meer volgen aan de UvA. Daarvoor moet je naar de VU of Utrecht, want in Leiden is het begin jaren ’80 al opgeheven. Heel jammer, want het is volgens mij een groot nadeel om bij het IBED geen nauwe band met een geologie afdeling te hebben. Bij de VU gingen fysische geografie en geologie juist steeds meer samen, en in Utrecht gingen de twee samen in één faculteit.’ Wel heb je hier natuurlijk meer chemie en bodemkunde, maar Mineralogie en Petrologie kan je hier dus niet meer doen.


4. Hoe groot waren de jaren van toen?

‘Dan moet ik even heel diep nadenken. In de jaren ’50 waren dat meestal een stuk of 10-12 studenten. Pim Jungerius was overigens ook een jaargenoot van mij. In 1953, toen ik met Geologie begon, hadden we een ‘groot’ jaar, met ca. 18-23 studenten.’


5. En wat ben je na de studie gaan doen?

‘Ik ben gaan promoveren bij professor Pannekoek in 1974 omdat de hoogleraren Bakker en Smit Sibinga inmiddels waren overleden. Die werkte destijds in Spanje, in de Pyreneeën, waar ik ook veldwerk en practicum gaf. Ik zat toen bij de Universiteit van Leiden. Overigens was ik vanaf eind 1955, dus nog voor ik afstudeerde, als assistent bij Smit Sibinga, wat erg leuk was.’


Al met waren de studie en werklocaties dus heel gevarieerd: Amsterdam, Leiden, Utrecht. Als we de hele studie en carrière van Klaas grof schetsen, ziet het er ongeveer als volgt uit:

  • ’40 : lagere school en middelbare school
  • ’50 : studieperiode
  • 1951 : start Sociale Geografie aan de UvA
  • 1952 : overstap Fysische Geografie
  • 1953 : kandidaatsexamen (na voltooiing van het derde jaar)
  • 1953 : overstap naar Geologie
  • 1955 : kandidaatsexamen Geologie
  • ’60 : hele goede tijd in Leiden
  • 1960 : doctoraal Fysische Geografie
  • 1960 : assistent professor Bakker
  • 1961 : vertrek naar Geologisch Inst. Leiden: promotie bij professor Bakker.
  • 1961 : medewerker professor Pannekoek in Leiden
  • ’70 : iets minder goede tijd in Leiden i.v.m. herstructurering
  • ’80 : bij de Universiteit van Utrecht gewerkt

6. Volgens mij is het veldwerk tegenwoordig anders dan vroeger. Kun je daar iets over zeggen?

‘Vroeger was er veel meer veldwerk dan nu. Je moest destijds als fysisch geograaf in je 1e en 2e jaar als zogenaamde ‘boorslaaf’ meelopen met iemand (kandidaats) die doctoraal veldwerk deed. Dat veldwerk vond meestal in Nederland plaats. Zelf ben ik boorslaaf geweest in het oosten van Friesland en op Terschelling. Pas eind jaren ´50 begon het veldwerk naar Oostenrijk.’

Hierna volgen we nog een klein zijspoor naar hardloopwedstrijden. Het is leuk om te horen dat Klaas, naast een paar keer 10 km wedstrijden, eenmaal de halve marathon van Leiden heeft gelopen. Daarnaast is hij óók nog eens studentenkampioen op de 3000m geworden en heeft een gouden medaille gewonnen. Klaas heeft ook nog veel op het voetbalveld gestaan, maar is nu ‘gewoon’ nog aan het fietsen. Iets wat ik ook graag nog wil doen als ik 82 jaar ben.


7. Hoe zag de gemiddelde veldwerkuitrusting eruit?

‘Vroeger kreeg je een veldkaart mee: een topografische kaart met schaal 1:10.000. Later in het verslag verkleinden we dit naar 1:25.000 omdat je anders lappen met kaarten kreeg. Je had geen gps maar een geologisch kompas en een hoogtemeter. De kaarten waren erg gedetailleerd met alle hutjes en weggetjes. De hoogtemeter was nodig ter controle, vooral in het bos was dat erg handig. Verder hadden we een hoofddeksel, regenjas en stevige schoenen.'


8. Bij Harry hadden we het veel over het onderzoek en veldwerk in Oostenrijk. Kan je daar nog wat meer over vertellen?

‘Naar Oostenrijk gingen we aanvankelijk in kleine groepjes. Samen met wat medestudenten nam ik de Bergland Express naar Vorarlberg en gingen we vervolgens met de bus naar een dorp dat in de buurt van het veldwerk lag. In 1955 begonnen er een aantal studenten in Laternser Tal. Ikzelf in 1956 bij Satteins en Schnifis. Bij aankomst zetten we onze bagage bij het lokale hotel (Krone) neer en vroegen we of we ergens in de buurt een kamer konden huren. Ter plekke gingen we dan kijken of we bij een familie konden verblijven. Het was toen te duur om in een hotel te slapen, en voor kamperen was het meestal te regenachtig. Ik verbleef zelf bij een familie bestaande uit een weduwe met een zoon en dochter. In 2006 ben ik nog eens naar Vorarlberg gegaan en heb ze weer opgezocht. De zoon en dochter, die iets ouder waren dan ik (toen dus in de 80!) woonden er nog steeds!

Maar goed, je zat dus niet met z´n allen op één plek, maar was verspreid in het gebied. Ik zat zelf in Schnifis, dat was het meest centraal gelegen. De eerste dagen liep Martin Bik mee en liet ons het gebied zien. Daarna moesten we het zelf doen. De prof kwam hooguit twee keer per zomer langs. Afgezien van de partner van de prof had niemand een auto. We moeten ons dan ook veel met de bus of lopend verplaatsen.
In Oostenrijk zat je al gauw twee keer zes weken. Na de eerste periode moest je een tussenverslag inleveren en een plan maken voor de tweede periode. Twee periodes waren dus verplicht. Voor mij was het doctoraal veldwerk, en ik ging er ook mee verder in mijn promotieonderzoek, waardoor er nog een derde zomer achteraan kwam. In de jaren ’56, ’57 en ’58 ben ik naar Oostenrijk geweest. In totaal ben je een lange periode in het veld. Tussendoor heb ik nog een bergsportcursus gedaan.’


9. Hoe was de sfeer tijdens het veldwerk en op de verschillende werkplekken?

‘Er waren toen geen bonte avonden, maar het was wel gewoon gezellig. Het was ook wat lastiger omdat in Oostenrijk iedereen ver uit elkaar verspreid in het gebied verbleef bij een gezin, waardoor je elkaar niet vaak sprak (en je geen eigen vervoer had).
Wat betreft de universiteiten; in Amsterdam was Geologie altijd vrij formeel. De Universiteit in Leiden had de naam een beetje bekakt te zijn, maar bij Geologie viel dit mee. In Leiden werd ik aangesproken als Klaas maar in Amsterdam (bij Geologie) was het meneer Haagsma, wat de verschillende culturen kenmerkt. De hoogleraren werden natuurlijk wel bij de achternaam genoemd.’


10. Dan heb ik nog een vraag die van alle tijden is: lagen de banen vroeger voor het oprapen?

‘Bij geologen is dat altijd onzeker. Ik heb minder zicht op fysische geografie. Het baanaanbod in het geologische vakgebied valt ook samen met de olieprijs, bijvoorbeeld of er geëxploreerd kon worden. Sommige afgestudeerde geologen kwamen terecht in een niet geologische baan, bijvoorbeeld in de ICT. In de jaren ’60 gingen veel mensen naar Canada (Calgary), de regio waar alle oliemaatschappijen zijn geconcentreerd. Men deed daar dan veel onderzoek. Verschillende Leidse studenten gingen daar op de bonnefooi heen en kwamen vaak wel aan een baan. De laatste jaren werd dat wat minder.
Ik ben zelf altijd bij de universiteit gebleven. Eerst in Amsterdam als assistent en toen in Leiden als medewerker. Ook in Utrecht was ik daarna medewerker. Zo heb ik bij drie universiteiten gewerkt, en kom je veel mensen tegen.’


11. Tenslotte: spreek je nog veel studenten en collega’s van vroeger?

‘Ik spreek nog regelmatig mensen bij een reünie van oud studenten van de LGV (Leidse Geologische Vereniging) en de GVA (Geologische Vereniging Amsterdam). Oud-collega’s spreek ik ook door de reünies en excursies. Utrecht was dan weer een grotere studie. Bij de geologen zitten er nu nog veel in het buitenland die daar zijn gaan werken en wonen. Die spreek je dan nog wat minder.
Mijn dochter heeft Sociale Geografie gestudeerd, maar heeft bijna nooit een reünie of iets dergelijks. Mijn zoon heeft Economie gestudeerd, maar daar is het ook niet veel meer. Het is eigenlijk best uniek dat wij elkaar nu nog zo zien als fysisch geografen en geologen. Dat komt denk ik door de aard van de studie en de kleinere aantallen. Dat moeten we maar zo houden!’


Klaas, ontzettend bedankt voor het leuke en uitgebreide gesprek!


Afsluiting

Is Klaas echt het oudste Lulofs-lid? Hijzelf laat weten dat Willy van Tellingen ouder is. Mocht je toch nog een andere naam voor me hebben, laat me dit dan weten via info@lulofs.org. Ik ben benieuwd!
Hoe het ook zij: waar de meeste jongere generaties moeite hebben om de voordeur van Science Park 904 te vinden vanaf het station (uitgerust met GoogleMaps en accurate GPS), wist Klaas zonder moeite (en zonder gadgets) de nieuwe huisvestiging van Fysische Geografie te vinden. En ook aan de fitheid is de leeftijd niet af te leiden: Klaas stapt rustig nog even op de fiets voor een dagelijks ritje. Ook mocht ik Klaas al snel tutoyeren, waardoor het element ‘leeftijd’ al snel op de achtergrond verdween.
Ik ben blij dat we deze informatie gedocumenteerd en gedeeld hebben. Laten we de Lulofs-geschiedenis koesteren, en de website van Lulofs vullen met meer en meer historie, zodat onze volgende generaties niet pas bij het vak paleontologie fossielen vinden van de vroegere Fysische Geografie en haar studenten. Helemaal nu sinds afgelopen september de bachelor Aardwetenschappen, en daarmee ook Fysische Geografie, is gestopt op de UvA.


Links:

  Last edit: 2015-09-15 23:01:00.