Fysische Geografie voor…

door Jan van Mourik


Aan de UvA hebben we de afgelopen driekwart eeuw vele fysisch geografen mogen opleiden. Gedurende die tijd werd de opleiding een aantal malen gereorganiseerd, maar nimmer werd het karakter van de “Amsterdamse School”, ooit geďnitieerd door Professor Bakker, verloren. De strijd om het voortbestaan door geringe aantallen eerstejaars werd nooit verloren.

In de afgelopen 24 maanden heb ik in geografie (het populairwetenschappelijk vakblad van geografen, met name aardrijkskundeleraren) een aantal interviews gepubliceerd van professionals die nauw verbonden zijn met doelgroepen die te maken hebben met de uitvoering van de missie van onze fysische geografie als kennisdomein. Omdat we mogen verwachten dat aardrijkskundeleraren die werkzaam zijn in de sector havo/vwo hun taak in het voortgezet onderwijs vervullen en inhoud geven aan de fysisch geografische (examen)onderwerpen die in het curriculum zijn opgenomen door de geografische instituten goed werden opgeleid, is deze groep buiten beschouwing gebleven. Maar ik wilde wel eens weten wat professionals als deltamanagers (verantwoordelijk voor het beheer van het deltalandschap), gidsen(verantwoordelijk voor de informatie die toeristen krijgen over actueel landgebruik en landschapsbeheer in ons land), natuurgidsen (die met veel groepen jongeren en ouderen op excursie gaan in het natuurlandschap), bestuurders (betrokken bij de inrichting van ons landschap), stadsecologen (verantwoordelijk voor de blauwe en groene waarden en de geoecologische structuren in urbane gebieden). De personen die jonge kinderen de eerste kennis van natuur en landschap bijbrengen zijn de leraren basisonderwijs. Ze worden opgeleid op de pabo’s. Daarom om een fysisch geografisch geschoolde opleider aan een pabo gevraagd om daar wat over te vertellen.


De studenten deltamanagement aan de Hogeschool Zeeland krijgen in hun opleiding te maken met een basiscursus fysische geografie. Daarnaast is er aandacht voor watermanagement en ‘global change’. Ook doen de studenten veldstudies waarvan er vele een geoecologische insteek hebben. Maar in alle ander interviews bleek dat de kennis van de fysische geografie van de professionals marginaal is. Natuurgidsen zijn gefocust op planten en dieren en nauwelijks op geomorfologie en bodem. Tourgidsen zijn nog altijd vooral gefocust op klompen, tulpen en molens; de slag van de “strijd tegen het water” naar “bouwen met de natuur” is nog lang niet gemaakt. De fysisch geografisch basis van bestuurders en stadsecologen is vooral afhankelijk van de individuele belangstelling van de betrokken professional en dus lang niet altijd gegarandeerd. En onze leerkrachten aan de basisschool? Sommigen hebben aardrijkskunde in het pakket gehad tijdens hun vooropleiding, anders moeten ze hun geografische “deficiëntie” opheffen door op eigen kracht een leerboekje te bestuderen waarin in zo’n 60 pagina’s de fysische geografie van het aardrijkskunde programma voor de havo is samengevat.

Een veel gehoord verwijt naar de universitaire opleidingsinstituten die zich bezighouden met aardwetenschappen is dat er voor scholing en nascholing van deze doelgroepen nauwelijks aandacht is. Weliswaar hebben opleidingen een door de wet opgelegde verplichting tot nazorg van de alumni. Maar dat is voor een kleine opleiding als aan de UvA natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan. Tot een paar jaar geleden bestond er een facultaire organisatie om zogenaamde masterclasses aan te bieden aan docenten voortgezet onderwijs. De scholen hadden daar budget voor en de regel was dat vakleraren daar in vijf jaar 3 maal gebruik van konden maken. Het voordeel van deze organisatievorm was dat er geworven werd bij alle scholen in Nederland en niet allen bij UvA alumni.

Onbekend maakt onbemind en dat is slecht voor de naamsbekendheid en aantrekkelijkheid van een opleidingsinstituut. Artikelen, gepubliceerd in Engelstalige peer reviewed journals worden wel gelezen door professionele vakgenoten (vooral in het buitenland), maar nauwelijks door de leden van bovengenoemde doelgroepen en al helemaal niet door aardrijkskunde leraren. Daarom heb ik er altijd naar gestreefd om over de resultaten van onderzoek ook naast wetenschappelijk artikelen ook populairwetenschappelijke stukjes te schrijven voor Geografie die wel door leraren worden gelezen en zelfs leerlingen bereiken. Dat wekt de belangstelling die we graag willen wekken voor onze fysische geografie. Helaas doen te weinig onderzoekers dit met het excuus dat Nederlandstalige publicaties niet meetellen voor de wetenschappelijke ranking en dat ze er daardoor geen tijd voor kunnen vrijmaken. Toch zou het beter zijn als we dat deel van de Nederlanders (zoals leraren en bestuurders) meer aan ons konden binden met populairwetenschappelijk producten die zij waarderen. Niet alleen omdat dat er meer gebruik wordt gemaakt van nieuwe kennis, wellicht nieuwe studenten oplevert, maar ook omdat zij als belastingbetaler het opleidingsinstituut mede financieren.


Tenslotte lijkt het de moeite waard om vanuit onze fysisch geografische missie masterclasses aan te bieden, gericht op specifieke doelgroepen waar fysisch geografische bijscholing gewenst is. Vraag om nascholing uit de wereld van de alumni is er nauwelijks, misschien is het beter om met een aanbod te komen. Dat is goed voor de fysische geografie en bovendien een prima invulling van de verplichting tot nazorg. Dit zal vanuit de Universiteit van Amsterdam georganiseerd worden.

Wij nodigen onze alumni uit om op dit artikel te reageren en met voorstellen te komen die we kunnen gebruiken om het idee van masterclasses voor specifieke doelgroepen verder uit te werken. Dit kan via info@lulofs.org.

U vindt de bovengenoemde interviews op www.geografie.nl/tijdschrift, of lees ze hieronder:



  Last edit: 2017-07-24 22:05:00.